10/12/2025

Beiden hadden ze iedere hoop op beterschap afgeschreven. Daaruit volgde het toeschrijven van de DNR-code, van 1 tot 4; welke zorg moet nog worden toegediend indien zich iets met mijn moeder voordeed; een code in het leven geroepen om, volgens de vzw, therapeutische hardnekkigheid te voorkomen. Onmiddellijk sloeg ik een belerende toon aan. 

Het zorgoverleg #4

‘Ik wil die bewindvoering niet misbruiken. Die is in het leven geroepen omdat moeder weigerde met de ambulanciers mee te gaan. Ik wil die bewindvoering niet inzetten, nu, voor het tegendeel. Mijn moeder heeft geen slepende ziekte: ze is niet terminaal en ze kwijnt niet weg onder ondraaglijk lijden. Als er nog een kans is dat zij “in de flow” terechtkomt, zoals de verpleegster het noemen, dan mag niemand haar ooit zorg weigeren. In onze ogen is het een goddeloze verschijning, miserabel en tragisch: als zij hier nog enig genot van dit bestaan ondervindt, dan is zorg weigeren hetzelfde als moord.’  

Bij dit alles keek ik de huisarts aan. Hij knikte en antwoordde. Hij sprak me niet tegen. Mijn zus ook niet. Mijn vader ook niet.

‘We kunnen ook tests uitvoeren zodat we kunnen zien hoe ver het dementioneel beeld bij jullie moeder gevorderd is.’ 

Ik stemde onmiddellijk in. ‘Dat had al veel eerder moeten gebeuren.’ 

Mijn zus knikte. Er leek berusting te komen in het overleg.  

‘Nogmaals: de cognitieve tests zijn noodzakelijk voor mij,’ hield ik vol. ‘Die moesten trouwens al veel eerder gebeurd zijn.’ 

‘We kunnen daarvoor een datum prikken.’ 

‘Eén dag maar? En in het ziekenhuis? Moeten die tests niet in haar dagelijkse omgeving gebeuren?’

‘Ja,’ knikte de huisarts, ‘dat kan. Misschien is dat wel beter.’

‘En één dag?’ vroeg ik. ‘Dan is dat een momentopname. Wat als ze die dag een slechte dag heeft? Is die slechte dag dan een doodvonnis?’

‘Misschien is het inderdaad beter het wat te spreiden hé, smeerde hij die mededeling over de tafel.
‘Dat lijkt me geen slecht idee.’ Ik was me bewust van het mogelijke gif in deze uitspraak, en trok dat weer naar binnen: ‘het is goed dat er duidelijkheid zal zijn, zei ik. ‘Als er nog een kans is,’ herhaalde ik, ‘dat er beterschap komt in een ander, meer zorgzaam kader, dan moeten we daarop hopen. ‘

Mijn vader bleef bij dit alles in bevroren houding, zijn elleboog op tafel en zijn hand over zijn kaak. 

‘Ja,’ begon mijn halfzus, ‘maar we moeten het ook niet eufemistischer zeggen dan het is, ik zie het elke dag. Je moet niet denken dat de verpleegsters weten wat een DNR-code is, laat staan wie welke code heeft! ‘

Mijn vader knikte en trok daarmee zijn gelijk hard door in een denkbeeldig: ‘voilà.’  De huisarts knikte ook. Hij voegde er een anekdote aan toe, ‘nee, het is niet ethisch hoe ze bewoners soms urenlang op het toilet laten wachten.’ Ik nam alle tegenwind weg en versterkte hun anekdotes met geknik. Mijn vader begon tegen mij in het Italiaans, waarna hij op mijn geïrriteerd aandringen overschakelde op Frans. Hij vertelde enkele voorvallen uit de mond van zijn nieuwe vriendin. Vage anekdotiek om hoe een man zijn nek brak omdat verpleegster hem liet vallen, hoe ze hem gewoon terug hebben gelegd. Hoe verpleegsters de dokter niet belden voor een ontsteking van een andere bewoner, en hoe die stierf. 

‘Dat is natuurlijk helemaal niet ethisch,’ zei de huisarts. 

‘Niet alle tehuizen zijn hetzelfde, toch?’  zei ik. Mijn vader antwoordde, opnieuw in het Italiaans: ‘en wie gaat dat betalen?’

Ik zuchtte, omdat het mij aan moment en energie ontbrak het gesprek te herkaderen tot: ‘dus het gaat wel over geld?’ 

De huisarts nam nu iets geagiteerder het woord: ‘ook voor mij is die DNR belangrijk. Wat als ik haar hier op een dag verkommerd vindt, en haar redt, en jullie mij kwalijk nemen dat zij hersenschade heeft opgelopen? Een zorgkader is belangrijk voor iedere zorgverlener.’

  Met gespeelde eerbied ging ik in het discours van de dokter mee, ‘nee, natuurlijk, dat begrijp ik, er zijn allerlei juridische gevolgen als u…’ ‘ja, natuurlijk,’ onderbrak hij me,   ‘maar ik niet alleen, ook verpleegsters.’ 

‘Maar voor we iets beslissen, gaan we hier toch thuis cognitieve tests uitvoeren?’ 

‘Ja, dat is goed,’ zei de dokter. ‘Ik zal een afspraak maken met het ziekenhuis, en we zullen de thuisverpleegster ook vragen hier thuis af en toe wat tests uit te voeren.’ 

De huisarts deelde een boekje uit waarin ‘alles over DNR en negatieve wilsverklaringen staat uitgelegd,’ met zijn bic toonde ons de belangrijkste pagina die we moeten lezen en invullen. Er was geen Franse vertaling voor mijn vader. De dokter had maar één boekje bij zich, het andere lag in zijn auto. Ik nam een foto van de belangrijkste pagina’s en de cover. 

  ‘Weten we al waneer we de test zullen uitvoeren?’ 

‘Dat moeten we nog even inplannen.’

Zo rondde het tweede overleg zich vanzelf af. De dokter bladerde nogmaals door de notities van de thuisverpleegster. Er stond weinig in geschreven. Hij verzekerde ons dat hij nogmaals zou aandringen zodat ze beter haar best deed. Tussen de pillen lag de voorgeschreven antibiotica niet — mijn halfzus vroeg mijn vader of dit gehaald werd, mijn vader wist van niets, hij trok zijn schouders op en zei ‘niemand zegt mij ooit iets.’ 

Ik negeerde hem nog steeds. 

De huisarts schudde ons de hand, hij had opnieuw een volgende afspraak. Het leek mij van een onverdraaglijke moedwil te getuigen mijn moeder nu in de steek te laten. Mijn halfzus en mijn vader bekommerden zich om de medicijnen — mijn vader herhaalde dat hij van niets wist, hij trok zijn schouders op en herhaalde ‘niemand zegt mij ooit iets.’

Ik negeerde die houding nog steeds. Toen riep mijn moeder mij: 

‘Giuseppe.’

‘Ja?’ 

‘Kom eens.’

Ik hurkte naast het lage ziekenhuisbed. 

‘Wat is dat hier allemaal? Waarover zijn jullie nu weer bezig?’ 

‘We moeten tests uitvoeren. ‘

‘Welke?’ 

‘Over wat er in dat kopje van u hier omgaat,’ en ik tikte haar op het voorhoofd.

Ze knikte en keerde zich weer tot de televisie. 

Ik rechtte en zag de weggerolde plastic flessen cola onder de salontafel. 

‘Je weet wat de dokter je vertelde? Je mag slechts twee flessen cola drinken per dag, maximum. ‘

‘Ja.’`

‘We zeggen het voor je goed hé.’ 

In de garage stond de drank: ik nam de flessen cola en water en sleurde die naar het toilet. 

Mijn vader en halfzus keken ernaar: ‘ga je dat nu echt doen?’ 

‘Ik vond dat geen slecht idee van de dokter. Als ze cola wil, kan ze onmiddellijk ook naar het toilet.’

  Ze lachten, en bevroren. Mijn vader vertrok richting apotheek om de antibiotica die hij vergeten was. ‘Ciao.’ Mijn halfzus lachte verder om de deugnieterij van de flessen cola in het toilet. Toen riep mijn moeder nog:  ‘Heb je het boek van je broer al gelezen?’  Mijn halfzus nam het boek dat op een trolley in de hoek van de kamer als een sierraad stond geëtaleerd, naast de televisie, bladerde er snel in en zette het terug op de stofafdruk. Mijn halfzus verplaatste zich richting keuken. 

‘Zeg,’ ging mijn moeder voor een tweede aanval,  ‘en dat geld, hoe zit het met dat geld?’ 

‘Welk geld?’

  ‘Je weet welk geld.’

‘Waarom heb jij dat geld nodig?’ vroeg mijn halfzus.

  ‘Is het niet mijn geld dan?’ riep mijn moeder uit, of ze krachten had gespaard voor die uithaal. ‘Moet ik nu echt voortdurend janken om mijn eigen geld?’

  Ik leunde mijzelf uitwissend over de zetel heen, of ik vier was, en ik keek mijn zus aan, bedolven onder het schaamrood, met haar schouders krampachtig hoog, haar kin en mond krampachtig neerwaarts; ze schudde hysterisch nee en tegelijkertijd haalde ze haar handen open omhoog, of ze niet wist waarover moeder het had. Mijn halfzus trok haar schaamte zelfs zo ver dat ze met haar vuist teken deed dat mijn moeder ze ziet vliegen. 

‘Wanneer krijg ik nog wat van dat geld?’  herhaalde mijn moeder. ‘Je broer heeft wat van dat geld nodig.’ 

‘Ja,’ ging ik lachend mee,  ‘want ik heb helemaal niks. Goed,’ en ik zwaaide ter afscheid. 

‘Wanneer zie ik je nog eens?’ vroeg mijn moeder. ‘Ik kom volgende week.’ Mijn halfzus volgde mij. Zo wiste de aanval van moeder zich uit op het hoogtepunt vanzelf uit. 

Op de oprit in één lijn richting mijn auto zei ik zonder stil te staan nog tegen mijn halfzus ‘ze begint wel vaker over dat geld. Ze is niet zo onhelder van geest als we denken.’ 

‘Ja,’ antwoordde mijn zus,  ‘het is raar hé.’

Op de terugweg naar huis wist ik onmiddellijk dat ik ’s anderendaags over het conflict van mijn vader, het zorgoverleg en de DNR- code zou schrijven. Onderdeel van het autofictionele spel in dit boek is de vaststelling dat ik materiaal vers in mijn geheugen onmiddellijk voorrang geef. Het zou een misvatting zijn te denken dat dit soort scènes daardoor dichter bij de waarheid liggen. Wie schrijft merkt dat reeds de mogelijkheden binnenin de taal de tot scène uit te snijden stof vervormt. Wie naar natuurlijkheid streeft moet niet bij de taal zijn. Het zou ook een misvatting zijn te denken dat dit materiaal dient te worden gelezen met een hogere urgentie. De urgentie van deze scène of, anders gezegd; het vooruitzicht dat de cruciale details mij met tijd zouden ontglippen verstoorde een rustige blik op het overzicht.

Ongetwijfeld werkt het schrijven van dit boek ook door in mijn hypnotische rechtvaardiging van mijn woede; of vanuit een kwetsbaarheid die ik niet kan opbrengen in het mij wapenen tegen het onrecht van het cynisme waartegenover ik naakt sta.  

  Tot op vandaag vernam ik niets van mijn vader; geen bericht, geen excuses. In alles is het heel duidelijk dat mijn halfzus de rol van bewindvoerder, zorgverlener, vertegenwoordiger voor het bestwil van mijn moeder niet dragen kon, en dat ik bij haar geen dekking of troost moest zoeken, integendeel — daarom trouwens wiste ik haar in de rest van dit boek uit: ze bevestigt een desolaatheid die vanuit literaire perspectief dubbelop doorwerkt. 

Ik  zocht in deze scène vers in mijn geheugen een waarheid; poogde in deze scène een definitieve gedachte te raken, maar dat lukte niet.  Ik wandelde weg van mijn vader, maar toch beheerst het gewicht mij om hoe ik de morsigheid tolereerde waarmee er over het leven van mijn moeder wordt beslist. De woede noopt je in jezelf tot beloftes die je onmogelijk kunt inlossen. Ik maakte de fout te luisteren naar het gevoel dat ik me moest verantwoorden voor de weigerachtigheid mijn moeder weg te borstelen uit de wereld; ik verstrikte mezelf in hun comfort-logica — eigenlijk zouden zij moeten beargumenteren waarom ze haar leven niet meer waardevol achten, terwijl ik, eerlijk, het leven van mijn moeder doorgaans evengoed niet erken. Ik rouwde net als iedereen betrokken reeds tientallen keren om haar dood. In die emotionele voorbereidingen tekenden we haar doodsvonnis. 

Thuis wachtte Gilke me op. Ze werkte achter de eettafel aan haar laptop. Ze stond recht zonder haar laptop dicht te klappen, haar handen in elkaar verknoopt. ‘En hoe was het?’ Ik zonderde me onmiddellijk naar de keuken af om koffie en schrok van de agressieve vluchtigheid waarmee ik haar meedeelde; ‘ze willen mijn moeder vermoorden en ik stemde ermee in. Ik heb mijn moeder vermoord.  Zo is het dan maar.’ 

Lees 13/10/25
ABONNEER